De Achttiende Eeuw 42 (2010) nr.1 
Themanummer ‘Smaak en distinctie’

Eveline Koolhaas-Grosfeld, Verklaring der plaat
B. Picart, Fiancez qui vont à l’église pour se marier, 1730. Gravure uit deel 5, ‘Over de godsdienstplichten en gewoontes van de Protestanten’ van B. Picart en J. F Bernard, [vert. A. Moubach], Naaukeurige beschrijving der uitwendige godtsdienst-plichten, kerkzeeden en gewoontens van alle volkeren der waereldt, Den Haag/Amsterdam/Rotterdam, 1727-1738, p. 344-345

Op 18 april 1718 lieten de Amsterdamse koopmansdochter Cornelia Maria Bors van Waveren (1697-1763) en de burgemeesterszoon Jean Deutz van Assendelft (1693-1714) bij de notaris hun huwelijkse voorwaarden vastleggen. De schatrijke Cornelia bracht zes keer zoveel geld in als haar man (300.000 gulden), plus een kostbare uitzet. Zo was ‘het geborduurt kleet van Parijs gekoomen’ maar liefst 1078 gulden waard, meer dan het jaarinkomen van een ambachtsman. Nu was het ‘geborduurt kleet’ Cornelia’s trouwjapon, en daarmee een van de belangrijkste onderdelen van het openbare vertoon van rijkdom en smaak waarmee een huwelijk op stand werd omgeven. Zo’n ceremonie begon drie zondagen voor de huwelijksdatum met het in ontvangst nemen van de gelukwensen, niet alleen van familie en vrienden (‘dat zou te gering zijn’, zoals het hierboven vermelde boek licht ironisch schrijft), maar ook van de voornaamste inwoners van de stad en vele vreemdelingen die uit nieuwsgierigheid toestromen ‘tot het aanschouwen van twee personen, die zeer kostbaar zijn uitgedoscht, en, om zo te spreken, ten toon staan om van het hoofd tot de voeten bekeeken te worden.’ Op de huwelijksdag zelf mochten gewone burgers zich op straat aan het bruidspaar te vergapen. De koets met het mooi opgedirkte paard werd speciaal op enige afstand van het bruidshuis geplaatst ‘opdat de toekomende echtgenoten van alle de buuren en van een menigte volks, ’t welk van alle kanten op dat huis aandringt, in hun vollen praal zouden konnen gezien worden.’ Dat moment heeft Picart hier uitgebeeld. Links op de voorgrond plaatste hij een moeder en dochter in volkskledij, om een mooi kontrast te geven met de modieuze dames en heren die elegant de trap afschrijden.
Maar zoals dat vaak gaat werden deze gebruiken na verloop van tijd door de gewonere burgers nageaapt. De hogere stand verloor daarop haar interesse voor het pronkhuwelijk, maar niet haar distinctiedrift. En zo kwam omstreeks 1770 een nieuw elitair gebruik in zwang: het ‘stille huwelijk’, een sober gebeuren dat zich grotendeels aan het oog van de buitenwereld onttrok.

  • I. Groeneweg, ‘Een Franse bruidsjapon in Amsterdam en een Franse naaister in Den Haag: de Nederlandse fascinatie voor Parijse modes’, in: En vogue! Mode uit Frankrijk en Nederland in de 18de eeuw, Zwolle 2005, p. 150-157
  • W. Frijhoff, F. Grijzenhout, M. Knuijt, Een groot gedruis en eene onbesuisde vrolijkheit. Feesten in de 18de eeuw, Leiden 1996, p. 69-106

Wiep van Bunge, Smaak en distinctive: elites in de Achttiende eeuw 
In this paper Marcel Proust’s celebrated analysis of taste and distinction among the upper crust portrayed in ‘À la recherche du temps perdu’ serves as an introduction to Pierre Bourdieu’s ‘La Distinction’ and to more recent research into contemporary Dutch elites. Finally, the prevailing image of the Dutch Republic as a state dominated by ‘burgers’ is called into question for it would seem that Dutch eighteenth-century culture in particular cannot be fully appreciated without taking into account some of its more aristocratic aspects.

Dorothee Sturkenboom, Bourdieu in de provincie. Over wetenschappelijke sociabiliteit en de distinctieve waarde van sekse
Viewed from a gender perspective taste and distinction are hardly neutral concepts. Yet, in historical studies of taste and distinction gender as an analytical tool is conspicuously absent, in contrast to class. No doubt this would have been different if gender had featured more prominently in Pierre Bourdieu’s seminal work La Distinction (1979). Still, since there are many points of convergence between the theoretical concepts of habitus, cultural capital, and gender, Bourdieu provides a number of cues for more gender-sensitive explorations of distinction as will be argued in this paper. After a brief introduction of the key concepts the author sets out to probe the distinctive effects of gender for men and women, by providing first a critical auto-analysis of present-day academic sociability and then a historical case-study of scientific sociability in the early modern period.

Hanneke Ronnes, Lusthof Het Loo als nalatenschap: vorstelijke smaak en nasmaak op een bedaagd buiten
This paper presents a case-study of Het Loo, the palace built by Stadholder William III, and extended a few years later when the prince also acquired the crown of England. This late seventeenth century palatial landscape was extensively renovated in the nineteenth century (by Lodewijk Napoleon Bonaparte) and in the twentieth century(by Queen Wilhelmina). The initial building and the subsequent rebuilding phases – the moments of structural change – have hitherto received scholarly attention; the supposedly uneventful eighteenth century on the contrary has not. It is the aim of this paper to demonstrate, by means of a biographical approach, that changes to the palatial landscape were made during the eighteenth century, albeit not structurally. Both natural processes (the steady growth of the trees in the garden, a harsh winter) and individual authors (the little known protagonists who inhabited or administered the allegedly ‘frozen’ palace site) were involved in the transformation of the site. The other ‘quiet authors’ distinguished here are the contemporary visitors to the palace who recorded what they saw and whose travel-diaries, letters and autobiographies are the historical sources which enable a recounting of a somewhat forgotten era of Het Loo.

Ingrid R. Vermeulen, Het papieren museum van Pieter Cornelis van Leyden (1717-1788): Een visueel overzicht op papier van de Europese kunst
The internationally renowned print collection of Pieter Cornelis van Leyden (1717-1788) was acquired in 1807 by the Dutch state under Louis Napoleon and now forms the core of the national Print Room in Amsterdam. In this article is argued that Van Leyden was not only a refined collector of prints by European master engravers, he was also a print collector aiming to assemble a visual overview on paper of European art. In that sense Van Leyden’s collection may be regarded as a paper museum which was devoted to engraving as well as painting. The over-all arrangement of Van Leyden’s collection according to artist and school correlates strongly with the knowledge systems documented in the contemporary French and German art literature of d’Argenville and Heinecken, about which Van Leyden was well-informed. On the one hand he focused on assembling artists’ oeuvres, which were determined by print oeuvre catalogues, an activity which resulted in the publication of a catalogue of his own exceptionally rich Rembrandt collection. On the other hand he concentrated on arranging prints according to the main European schools, in which he laid the accent on the Dutch school. In it he demonstrated the long tradition of Dutch printmaking since the fifteenth century and the unique variety of Dutch genres such as landscapes, scenes from everyday life and animal pieces. In such a way Dutch art could be assessed in international comparison within Europe.

Gijsbert Rutten, Normalisering en zelfstilering. Sociolinguïstische aspecten van het journaal van Arie Knock (1763-1816)
From circa 1750 onward, the Dutch sociolinguistic situation is more and more characterized by language normalization and the ideology of the standard language. Norms and standards create the possiblity of conscious adherence to them, and thus of linguistic distinction. In this paper, a case study in historical sociolinguistics is reported on, focusing on the relation between language and identity, more specifically on the way in which normalization, norm consciousness and stylisation of the self interact in the diary of the patriot army captain Arie Knock (1763-1816).

Herman Roodenburg, Over habitus en de codes van honnêté: de wereld van de achttiende-eeuwse burgerij
Taking the Dutch nobleman and composer Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766) as a case in point, this article argues that a serious cultural history of the eighteenth century elites is still extant. It draws attention to the still prominent notion of honnêteté: of well-educated men and women dabbling in the arts and sciences of their day, displaying such cultural capital in their leisure hours but invariably pointing out that they were not ‘of the profession’ themselves. Adopting Pierre Bourdieu’s habitus concept in its original, phenomenological sense, it also discusses the recent important investigations on cabinets of curiosities and the overused cliché of the Dutch burger.

Stand van zaken
Jacob van Sluis, Frans Hemsterhuis – een onderzoeksbericht, 1990-2010

Ornament01

De Achttiende Eeuw 42 (2010) nr.2cover42-2

Eveline Koolhaas-Grosfeld, Verklaring der plaat
Pieter van den Berge, Titelprent bij Purgat & Ornat [pseud. van Hendrik van Halmael], ’t Schijnheylig Weeuwtje, Amsterdam 1711. Foto Koninklijke Bibliotheek

Na 21 blijspelen, voornamelijk over bedriegers van het mannelijk geslacht, vond de toneelschrijver Hendrik van Halmael (1654-ca. 1720) het tijd om de andere sexe, ‘die daar ook niet vrij van is’, als bedrieglijk op de planken te zetten. Hij bedacht ‘t Schijnheilig Weeuwtje, een blijspel over Cornelia, een jonge weduwe met een dubieuze levenswandel en haar vroegere vriend Jan, een ‘Oostindisvaarder’. Beide personages zijn uit hetzelfde, lichtzinnige hout gesneden, met dit verschil dat Cornelia haar aard door een dagelijkse kerkgang probeert te verhullen, terwijl Jan er juist mee te koop loopt. Hij is het prototype van een losbol, voor Van Halmael een mooie aanleiding om het spel op te luisteren met muziek en dans. Het publiek was daar bepaald niet vies van.
Hoe het eraan toeging toont de titelprent Pieter van den Berge (1659-1737), tekenaar-graveur en prentuitgever te Amsterdam. De scène speelt zich af in het huis van Cornelia, waar de ‘Oostindisvaarder’ kwam aankloppen zodra hij voet aan wal had gezet. Vastbesloten om de bloemetjes buiten te zetten, laat hij zijn knecht een stel muzikanten van de straat plukken. Cornelia’s aarzeling is van korte duur, Jans enthousiasme werkt zo aanstekelijk. Een bourrée, een courante, een ‘galjaartje op zijn oud Frans’, nog eens een bourrée – de muzikanten kunnen het nauwelijks bijbenen. Zij krijgen bovendien Jans scheldpartijen te verduren: ‘Jan Hagel’! Canalje! Vagebonden! Straatplagers! Hun werk zit erop als Jan en Cornelia besluiten om het feest in het ‘hoerhuis’ voort te zetten.
De prent zal de gespeelde toneelscène niet veel ontlopen, Pieter van den Berge hield zich meestal goed aan de tekst. Tegelijkertijd voldoet zijn werk als titelprent. Volgens Lairesse* (wiens schilderijen door Van den Berge in prent zijn gebracht) moet iedere titelprent dienen tot ‘Vermaak voor ieders oog, tot lof en eere des Schrijvers, nevens den Tekenaar, en het voordeel des Verkoopers.’

Met Cornelia liep het overigens niet best af. Als de schout, op zoek naar Jan, het hoerhuis betreedt, wordt zij letterlijk en figuurlijk ontmaskerd en naar het spinhuis afgevoerd. Haar ‘Oostindisvaarder’ is hem intussen gevlogen.

*Groot Schilderboek, Amsterdam 1712, p. 146

  • C. Ploos van Amstel, ‘Schets van het leven en de verrigtingen van den Heere Aart Schouman als kunstschilder beschouwd’, Algemeene Vaderlandsche Letteroefeningen (1792) 432-439.
  • R. van Eijnden en A. Van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, II (Haarlem 1817) 68-73.
  • L. J. Bol, Aart Schouman: ingenious painter and draughtsman (Doornspijk 1991).

Jos Koning, De Amsterdamse dansmuziek-collecties uit de achttiende eeuw als schuilplaats van verloren gewaande schouwburgmuziek
Music played an important role in plays and ballets at the Amsterdamse Schouwburg, the theatre at Keizersgracht. In her study De perfecte Verleiding Natascha Veldhorst investigated the position of Dutch theatre music during the seventeenth century. It does not seem unlikely that the theatre kept an archive with melodies and possibly musical arrangements used in program entries before 1772. But that year a fire destroyed the building, together with its possible archives.
Yet some of this music might be found elsewhere. During the eighteenth century thousands of melodies were collected in manuscripts and partly published in print. Musicologists have all but neglected these collections, some of which include the word Schouwburg in their titles. Study of these sources’ contents, musical origins and aims has brought to light quite some theatre music. Yet the melodies are only present in unison, leaving out any element of arrangement and thus making a full reconstruction difficult. However, since these collections even contain much speelhuis music (a speelhuis being a pub, dance hall and brothel combined), and since the categories of theatre and speelhuis musicians seem to have overlapped, such arrangements may have been based on the speelhuis musician’s practice of harmony improvisation.

Houssine Alloul, ‘Verlichte’ cultuurkritiek of paternalistische retoriek? Representaties van de Turkse Andere in het reisverhaal van Pieter van Woensel
This article centres on Pieter Van Woensel (1747-1808), the eighteenth-century Dutch doctor, world traveller, Enlightenment writer and political satirist. During the past few years his literary work has attracted much attention, especially his travel journal Aanteekeningen, gehouden op eene reize door Turkeyen, Natoliën, de Krim en Rusland in de jaren 1784-89. As was the case with many other European authors and travellers at the time, the (new) Enlightenment ideas caused a considerable reorientation in Van Woensel’s thought on non-European peoples, manifesting itself in Aanteekeningen in some very original and even controversial statements about the Ottoman Empire and Europe. However, until now, no one has touched upon the strongly denigrating and deterministic approach of the Turks in his travel journal. So far scholars have only discussed his positive observations on the Ottoman Empire and its inhabitants, as though Aanteekeningen had always been read selectively. Starting from the insights of postcolonial studies and through the use of the analytical concept of ‘othering’, this article presents a rereading of Van Woensel’s travel journal and argues that his ultimate negative portrayal of Turks is the very product of his Enlightenment thought itself.

Ivo Nieuwenhuis, De ambivalente Amurath: De Lantaarn van Pieter van Woensel als relativerende satire
This article discusses Pieter van Woensel’s Lantaarn (1792-1801), a satirical Dutch illustrated periodical. This periodical is placed within a tradition of satirical works that downplay their butt through the use of ambivalence, a tradition that is besides shown to have a special connection with the Enlightenment. Through a close-reading of several passages and one illustration, it becomes clear that ambivalence is indeed an important characteristic of De Lantaarn, thus being a product not just of its own time, but also of the aforementioned tradition.

René Koekkoek, ‘Eene waare en vrije Republiek’. Jan Konijnenburg, De republikein en de uitvinding van de moderne republiek
During the early years of the Batavian Revolution (1795-1801), the political journal De republikein(The Republican) of journalist and former professor of theology Jan Konijnenburg (1758-1831) played an important role in the transformation and modernization of key-concepts in republican political thought. This article argues that Konijnenburg’s political views can be seen as being part of a larger transnational development in late eighteenth and early nineteenth-century modern republicanism from which liberal thought originated.

Anneleen Perneel, In compagnie: Een onderzoek naar jongerenculturen te Lier in de achttiende eeuw
In the eighteenth century adults played a significant role in the daily life of their children. This article shows that the relationship between adults and youth was however not a one way direction. A small town called Lier in the duchy of Brabant shows that young men and women aged between 14 and 30 years old negotiated their position in society and constituted their own cultural repertoires.

Scriptieprijs 2008
Frederik Dhondt, Lodewijk XIV als spelverdeler in de Spaanse Successie, 1707-1708
The war of the Spanish Succession (1702-1713/1714) has traditionally been presented as the painful settling of a balance of power for the ensuing peaceful decades, thanks to major victories, achieved by ‘Great Men’ in the allied camp. Yet, French military and diplomatic strategy has hitherto received insufficient attention. Rich archival sources on the 1707 and 1708 campaigns in Flanders, the most visible military theatre, allow us to clarify the more political than military behaviour of Louis XIV’ commanders Vendôme and Bourgogne, to link indecisive campaigns of attrition to wintertime diplomatic negotiations conducted in The Hague and, finally, to explain a shift in legal discourse, accompanying the transformation of the political battle on the partition of the Spanish Empire.